‘Op Sloe’

Dit prachtige panorama was te zien vanaf het veerhuis, tweehonderd jaar geleden.

Je zou het niet zeggen, maar toch is het zo: de mooie plek waar u nu, genietend van een drankje of hapje de rust en de ruimte van de polder ervaart, was ooit een van de drukste verkeersknooppunten van Zeeland.

Hier bevindt zich tussen 1755 en 1872 het belangrijkste overzetveer tussen Zuid-Beveland en Walcheren. Niet alleen personen worden hier per 'hengst'(de bekende Zeeuwse platbodem) of roeiboot over het Sloe naar de Walcherseoverkant gebracht, ook al het postverkeer tussen Middelburg en Holland loopt sinds 1755 via dit Sloeveer.

Schaaltekening van de veerboot waarmee gevaren werd van Zuid-Beveland naar Walcheren en terug

Elke morgen en middag vertrekt vanaf de Zoutkeet op de Markt in Goes een postwagen, die niet alleen post, maar ook passagiers vervoert. De grote postwagen heeft drie banken en kan zes mensen meenemen. Als het erg druk is worden er paarden voor een tweede rijtuig gespannen. Zo worden post én personen over de vaak nog onverharde wegen en dijken naar het veerhuis, hier op de Noord Kraaijertsedijk gebracht. Die dijk is dan nog de zeedijk, die het land beschermt tegen het water van het Sloe, dat dan de scheiding vormt tussen de twee eilanden.

Het veerhuis ligt er tamelijk verlaten bij, want het dorp Lewedorp bestaat nog niet, dat wordt pas in de 20ste eeuw gesticht. Alleen verderop in de Noord Kraaijertpolder, pas sinds een halve eeuw (1696) ingepolderd, staan enkele boerderijen en knechtshuisjes.

Het oude veerhuis staat nu nog steeds op de dijk. Het wordt in 1755 als 'woonhuis met schuur en stalling' in opdracht van de Postmeesters van Vlissingen en Veere en de Ambachtsheer van 's Heer Arendskerke gebouwd. De veerman begint er ook een herberg in voor de wachtende reizigers. Het is hier vanaf de eerste dag elke dag een drukte van belang, niet alleen vanwege alle vertrekkende en arriverende reizigers, maar ook doordat er doorlopend voermannen met hun rijtuigen en paarden arriveren om passagiers af te zetten die naar Walcheren willen. Meestal blijven de voerlui wachten tot ze reizigers die met het veer van Walcheren komen, mee terug naar Goes of verder kunnen brengen. In de tussentijd kunnen hun paarden in de stalling wat uitrusten, eten en drinken.

In het stormseizoen moeten passagiers soms uren in de herberg wachten eer ze kunnen worden overgezet omdat er bij erg slecht weer niet altijd gevaren wordt. Weliswaar heeft de veerman zich contractueel verplicht om de postiljon, zodra die arriveert 'vlijtig en zonder vertraging over te zetten' met zijn postzakken, maar in het motorloze tijdperk breekt de nood de wet nog wel eens.

Veel reisverslagen over het Sloeveer zijn er helaas niet. Maar de bekende 19e-eeuwse schrijver Jacob van Lennep, die in de zomer van 1823 samen met Dirk van Hogendorp een voetreis door Nederland maakt, vermeldt met enkele regels hun overtocht op maandag 25 augustus:

"Na enige smoorhete dijken, kwamen wij over een korte harde weg bij het Sloe. Hier rustten wij anderhalf uur uit, want wij waren heel bezweet. Onze spullen waren niet aangekomen, waarover wij ons beklag deden. Om bij het veer te komen, moesten wij nog een stenen pad van twintig minuten afgaan en verder 300 passen door het water lopen om bij de boot te komen, omdat het juist laag water was. De avond op het water was heerlijk. De zon dook met gouden en purperen stralen achter de Walcherse kust weg. Het water was stil en slechts een zoel zuchtje rimpelde de oppervlakte en stoeide in de zeilen van enige voorbijgaande schepen. Aan de overkant namen wij een rijtuig en reden met goede paarden over een harde weg tot aan de poort van Middelburg."

Het stenen pad, waar Van Lennep over schrijft, moet al vrij snel na het begin van de veerdienst worden aangelegd. Het schor ten westen van de dijk slibt snel op en wordt ook steeds breder. Daardoor kan de veerman niet meer met zijn schip aan de steiger bij de dijk komen. Daarom wordt er vanaf het veerhuis een lang stenen pad in westelijke richting over het schor aangelegd, waarover de passagiers naar de aanlegplaats aan het Sloe moeten lopen. De tegenwoordige Oude Veerweg ligt op het tracé van het oude stenen voetpad.

Aan deze onhandige situatie komt een eind als in 1856 het schor grotendeels wordt bedijkt. De nieuwe polder heet Jacobpolder. Vanaf dat moment is de Noord Kraaijertsedijk dus geen zeedijk meer.

In de nieuwe polder worden enkele grote boerderijen gebouwd en tussen veerhuis en boerderijen aan de Veerweg ook een rijtje arbeidershuisjes, die er nu nog staan. Zo ontstaat een buurtschapje, dat in de volksmond 'Op Sloe' wordt genoemd.